Jezus roept
zondag 22 januari 2012
ds. Bert Altena
Lezing: Marcus 1:14-20
Gemeente van onze Heer,
Momenteel loopt de actie Kerkbalans, dus we zitten helemaal in de cijfertjes. De cijfers van de kerkrentmeesters die ons vertellen waar het door ons toegezegde geld aan wordt besteed, vooral aan de dominees, hebt u kunnen zien. De cijfers spreken boekdelen. Ze laten zien wat er elk jaar weer nodig is, om de boel draaiende te houden. Maar ook dat we langzaam maar zeker inleveren.
De cijfers. Ieder jaar verliest de PKN 50.000 leden. De kerk vergrijst, dus er overlijden er meer dan er geboren worden. Dat zijn de ‘gedwongen ontslagenen’, zou je kunnen zeggen. Maar ook zijn er ieder jaar die zich aan de gemeenschap van de kerk onttrekken, zoals dat heet. Die er zelf voor kiezen om de kerk te verlaten. Ze beginnen voor zichzelf. ZZP?
Ik heb geen zin om me door dergelijke berichten te laten deprimeren. Dat zou ik u ook niet willen aanraden. Er is ook wel wat ter relativering te zeggen. De christelijke kerk is wereldwijd booming business, maar dat verandert onze situatie niet meteen.
Maar met dat al, klinken de woorden die we vandaag overdenken, Jezus’ roep tot Simon en Andreas, waarmee het allemaal begonnen is, toch klinken de woorden Ik zal van jullie vissers van mensen maken een beetje wereldvreemd tegen de achtergrond van onze kerkelijke situatie. Vissers van mensen? We zijn alleen maar bezig ons lekke kerkelijke bootje te hozen.
De roeping van de eerste discipelen staat aan het begin van het evangelie. Nogal wiedes zult u zeggen. Het is het begin van Jezus’ openbare leven. Hij treedt naar voren, in Galilea, om het goede nieuws te verkondigen, het evangelie van het Koninkrijk dat nabij gekomen is: kom tot inkeer en kom tot geloof. En dan roept hij leerlingen, vrienden, om met Hem mee op weg te gaan. Dat weten we allemaal, zo is het begonnen.
Nu is het wonderlijke, dat in één van de andere evangeliën een vergelijkbaar verhaal helemaal aan het einde wordt verteld, als de leerlingen na de dood van Jezus weer aan het vissen zijn gegaan, blijkt Hij opeens langs het water te staan (Joh. 21: 1 – 14). Ook in dat verhaal draait het erop uit dat Petrus geroepen wordt om in de dienst van de Opgestane Heer te gaan staan. Hoed mijn schapen (21: 16). Ook dit verhaal, van de ontmoeting aan de waterkant, loopt erop uit dat de leerlingen geroepen worden, opgeroepen, om het evangelie verder de wereld in te dragen.
Daarmee begint het, en dat begin zet zich eindeloos voort, ook aan het einde, na Pasen, begint het er mee dat mensen geroepen worden om de boodschap van Jezus verder te dragen.
Ook het evangelieverhaal van vanmorgen is na Pasen opgeschreven, om mensen in de reeds ontstane christelijke gemeenschappen bij de beweging van Jezus steeds weer opnieuw te betrekken. Waar Jezus voorbij komt, kan een mens niet onbewogen blijven.
Zoals bekend worden er vandaag drie nieuwe ambtsdragers bevestigd. Beter kun je het niet krijgen. De perfecte illustratie van waar het in het evangelie van de zondag om gaat. De bevestiging straks als aanschouwelijke prediking, net zoals de Maaltijdviering daar aansluitend.
Ja, inderdaad. De bevestiging van de nieuwe ambtsdragers sluit mooi aan, maar het zou ook weer te makkelijk zijn en te kort door de bocht om daarin dan de toepassing van de tekst te zien. Waarom? Om twee redenen. Omdat we de dan de strekking van de roep die er van Jezus uitgaat te veel versmallen tot onze kerkelijkheid. Maar ook, omdat we dan voorbij gaan aan hoe deze roep van Jezus sindsdien bemiddeld wordt.
Laat me met dat laatste beginnen. Jezus roept. Hij roept vissers, boeren en buitenlui. Zijn oproep geldt iedereen, dat begrijpen we. Hij komt misschien vandaag voorbij, en roept ook ons, roept u en mij het bekend lied dat we aan het einde van deze dienst ook weer zullen zingen.
Maar hoe roept Hij dan? Waar horen we dat?
Straks dan vragen we bij de bevestiging of ze er van overtuigd zijn dat God zelf in en door zijn gemeente mensen roept tot dienstbaarheid. Ze hebben mij al vast beloofd dat ze daar straks ‘ja’ op gaan zeggen, dus u hoeft zich niet ongerust te maken. Maar laten we die woorden nog even op ons inwerken.
Door God geroepen? Tja, pff, wie durft dat van zichzelf te zeggen. ‘Ik ben maar een eenvoudig mens, ik wil best wel wat doen voor de kerk, ik ben gevraagd en ik wil daar niet zomaar aan voorbij gaan; ieder op zijn beurt, je kunt niet altijd aan de zijlijn blijven staan; het is gewoon werk wat gedaan moet worden, niet altijd even leuk, maar ja, dat hoort er nu eenmaal bij; ik vind het leuk om iets te doen, waar ik zelf ook plezier aan beleef, waar ik aardigheid aan heb; ik doe het voor de kerk, maar ook voor mij zelf.’
Door God geroepen? De dominee misschien. Daar moet je toch wel een roeping voor hebben? Ja zeker, maar het is ook een beroep, en – denkt u aan de Kerkbalans? – aan het einde van de maand hoop ik toch wel mijn salaris te ontvangen – ik ben geen bankdirecteur die het er even bij kan doen, en roept ook ons, roept u en mij, om alles op te geven en trouw Hem na te leven. Tja.
God roept. Ja, maar dan zoals het in de vraag straks wordt geformuleerd, of je gelooft dat God zelf, in en door zijn gemeente, mensen roept. En zo is het ook. God roept mensen niet rechtstreeks. Nou ja, een paar uitzonderlijke mensen valt zoiets ten deel, grote religieuze figuren, spirituele reuzen en verder bij mensen die een beetje in de war zijn, maar God roept niet rechtstreeks, bij mij tenminste niet, maar altijd in en door mensen heen. God ontmoet je niet zomaar, onbemiddeld, maar altijd in het gelaat van de ander, de medemens, die op je afkomt en een beroep op je doet, op je tijd, op je geld, op je aandacht, op jouw specifieke gave of talent. Alleen op die manier is God, is Jezus zelf in ons midden, in de gestalte van de hongerige en de dorstige, de vreemdeling en de havelozen, de zieke en de gevangenen, om de mensen te noemen die in de bekende gelijkenis (Mat. 25, 31-46) worden aangehaald, de minste mijner broeders en zusters. Daar laat God zich kennen. Daar klinkt de roep van Jezus, in hun appèl op menselijkheid en zorgzaamheid.
Dat brengt me meteen bij het andere bezwaar om het verhaal van de roeping te direct te verbinden met onze situatie hier vanmorgen. Dat is vanwege de kerkelijkheid.
Als wij ambtsdragers bevestigen, dan heeft dat met de kerk te maken, met de kerkelijke organisatie. Daar is niets mis mee, integendeel, dat is allemaal nodig en het is fijn als er steeds weer mensen bereid zijn om daar hun bijdrage aan te leveren. Maar in het evangelie gaat het om meer dan de kerk.
In een preek over deze tekst van Albert Schweitzer, kwam ik dat tegen.
Als ik nog even persoonlijk mag worden, als er iets is geweest dat mij al vroeg in mijn eigen leven op het spoor van het predikantschap heeft gezet, dan is het wel de prachtige verhalen die onze meester op de lagere school verteld van Albert Schweitzer. Daar zit ook een stukje romantiek bij, dat zie je nu weer anders. Maar misschien, ik weet het haast wel zeker, is daar mijn roeping wel begonnen, en ik weet dat het ook voor andere collega’s geldt.
Nu is die man al wijd en zijd vergeten, die preek waar ik in las is ook al meer dan 100 jaar oud, zo is het leven, maar wat mij daaraan trof is dat Schweitzer zegt dat als er iets is wat hem overtuigt in deze tekst, dan is dat, dat er staat dat Jezus belooft om van ons vissers van mensen te maken. Daar gaat het om. Niet om zieltjes te winnen, niet om een kerk te stichten of in de benen te houden, maar om mensen te redden, dat de mensen niet verloren gaan, maar terecht komen. Religie en menselijkheid worden in de roep van Jezus samengesmeed, zodat niets kan bestaan zonder ware menselijkheid en dat de opgaven van de ware menselijkheid niet gehoord kunnen worden zonder religie, in de woorden van Schweitzer.
Pas veel later begreep ik dat de protestanten indertijd Schweitzer veel te humanistisch en te vrijzinnig vonden, maar mij spreekt dit aan.
Het gaat Jezus niet om de kerk – Hij kent het woord niet eens – het gaat hem niet om zieltjes winnen, het gaat in de roep die van het evangelie, de goede boodschap van het Koninkrijk, uitgaat, om heel de menselijkheid in het geheel van Gods schepping.
Die roep, die oproep, blijft bestaan. Zelfs als de kerk zou ondergaan of helemaal zou verdwijnen in ons werelddeel, ik geloof dat niet maar zelfs indien, dan nog is de roepstem van het evangelie niet verstomd: Gods koninkrijk is nabij. Het is in onze handen gelegd, het wordt ons in de schoot geworpen.
AMEN